Wij gebruiken cookies op de website. Analytische cookies laten ons geanonimiseerd zien hoe men de website gebruikt. Met die inzichten monitoren en verbeteren we fsin.nl. Lees meer

Ik ga niet akoord

De rijke stad, de gevulde tafel en de mondige boer

Voedsel als cultureel en ruimtelijk fenomeen

Als de jonge Engelsman Fynes Moryson in de vroege ochtend van 3 november 1592 in Amsterdam voet aan wal zet, kijkt hij zijn ogen uit. Hij is dan al anderhalf jaar op pad om heel Europa te doorkruisen en daarvan uitvoerig verslag te doen, maar dit had hij nog niet eerder gezien: houten funderingen onder water die meer zouden kosten dan de huizen die ze schragen. Hij doorkruist de nauwe straten en beklimt de stadsmuur, hoger dan de meeste gebouwen, met een fraai uitzicht op reeds verkavelde velden erachter, met hier en daar een splinternieuwe regentenwoning, volledig ingericht. De volgende stadsuitbreiding zit er aan te komen. ‘s Avonds drinkt hij een glas Spaanse wijn en deelt zijn kamer met een landgenoot.

De volgende dag trekt Fynes verder, maar Amsterdam heeft hem bekoord. De stad lijkt bovendien een perfecte overstapplaats voor verkenningstochten. De zomer erop is hij er opnieuw, en twee jaar later, vlak voor de kerstdagen, nog eens. De volgepakte schuiten, de hoge pakhuizen, de deftige panden langs de Singelgracht, de tientallen markten met verse etenswaar, de zwermen burgers, bankiers, grossiers, kooplui, ambachtslieden en handelaren uit vele streken met hun mengelmoes van tongval en talen; Amsterdam is een wereldstad in wording, een bezienswaardigheid.

Fynes verkent andere steden, per rijtuig, zeilschip en arrenslee, waarbij hij steevast bij andere passagiers polst of ze worden opgelicht of niet. De avontuurlijke Brit blijft zich verbazen. Over de welvaart die ondanks de belastingdruk vanwege de oorlog tegen Spanje hoger is dan elders. Over vrouwen die net als hun mannen zaken doen, tot in buitenlandse steden toe, over de vrije omgang tussen jongens en meisjes, over straten en stegen en stoepen die voortdurend worden geveegd, gewassen, geschrobd en geboend- je kunt er zo van eten - en over bier dat zelfs van betere kwaliteit is dan de pint in zijn thuisland. Rijke regenten, merkt hij verder op, kleden zich in het openbaar nogal zuinigjes, want praal doet er niet toe. Hun huizen zijn fraai maar niet uitzonderlijk exorbitant. Van overdaad houden Nederlanders niet.

Nog iets anders valt hem iets op. Boter en kaas zijn zo’n beetje de snacks van jan en alleman. Niets is gewoner, noteert Fynes in zijn opschrijfboekje, dat zelfs gegoede burgers er totaal geen been in zien om zittend voor hun deur of drentelend op het marktplein een homp brood met boter en kaas naar binnen te werken. Mannen en vrouwen dragen ze in blikken of trommeltjes mee. Het lijkt of ze aldoor en overal eten, eten en eten, maar manieren zijn er niet bij, denkt hij bij zichzelf. Zelfs elke maaltijd begint en eindigt met boter, waarmee de gezouten vis rijkelijk wordt bestreken. En het hoofdmaal? Dat wordt op een open vuur bereid. Hij kijkt beduusd toe hoe Nederlanders het vlees niet aan een spits rijgen om te roosteren, maar ze in kleine stukken snijden en deze dan met hompen vet en wortelen in aarden potten stoppen. De naam van dit gerecht vindt hij maar moeilijk: hutspot.

14 oktober 2019 - Het zijn rake observaties van Fynes Moryson. In zijn bijna journalistieke reisverslagen houdt hij tot op de cent nauwkeurig bij hoeveel hij uitgeeft en wat en met wie hij eet. Het valt hem daarbij op dat er bij de dagelijkse maaltijden nauwelijks klassenverschillen bestaan. De...

Wil je verder lezen?

Wil je dit nieuwsitem verder lezen en het bijbehorende document downloaden? Meld je dan aan bij FSIN

Lid worden van FSIN

Bent u al lid van FSIN?

Kan je iemand helpen met dit artikel? Deel het!