Tijdens een van de breakout-sessies op het FSIN Food500 Congres 2026 gaan FSIN-bestuurslid Dirk van Iperen van Sligro Fo...
13 juli 2022
Waar halen horeca-ondernemers hun ongebreidelde optimisme vandaan? Ik bedoel, je hebt twee jaar lang 40, 60, 80 procent van je omzet ingeleverd (probeer het je even voor te stellen) en dan is het 2022 en praat je over groeikansen en investeren alsof je niet net daarvoor de bizarste episode uit je ondernemersbestaan hebt meegemaakt.
Hoe die coronacrisis voor ondernemers voelde, schetst Ad Schaap van De Beren eind 2020 treffend in de FSIN-publicatie ‘Sterker uit de crisis’: ‘’We zaten op een trein die met 200 kilometer per uur tegen een muur knalde’’, omschrijft de Rotterdamse ondernemer zijn pandemische gemoedstoestand. Van het volle, luidruchtige foodserviceleven en de eeuwigdurende actie en reactie met medewerkers en gasten, belandden Schaap en de zijnen in de surreële doldrum van de lockdown waaraan geen einde leek te komen. Om niet knettergek te worden van die onnatuurlijke stilte, kocht Schaap legpuzzels van 2.000 stukjes en stapte hij elke ochtend in een ijsbad. Hij zal niet de enige ondernemer zijn geweest die naar dit soort buitenissige middelen greep om de wrevel te verjagen.
En nu, halverwege het nieuwe jaar, trillen de bedrijven van de energie als bijenkorven in het voorjaar - als vanouds - en lijkt 2021 nog slechts een nare droom. Ik vind dát het meest indrukwekkende facet van deze FSIN Food500: het gemak waarmee ondernemers de coronabladzijde omslaan. En ik denk dat ik weet waarom ze dat zo goed kunnen.
Natuurlijk heeft de horeca uitzicht op groei en herstel. Er liggen kansen genoeg en het zicht op recordomzetten geeft deze entrepreneurs ongetwijfeld vleugels. ‘’Linksom of rechtsom, onze groei gaat gewoon door. Als wij straks de deuren openen, zitten we meteen vol’’, riep Schaap strijdvaardig in het midden van de pandemie. Nu is het zover. Nieuwe uitdagingen, zoals het historisch hoge personeelstekort, de net zo historische inflatie, de opgebouwde schuldenlast en de achterblijvende bezoekersaantallen in de steden, geven ondernemers bovendien niet de gelegenheid om even rustig te bespiegelen (iets wat sowieso niet zo in hun aard zit). Eigenlijk vallen ze van de ene crisis in de volgende.
De reden waarom ondernemers de draad met zoveel energie en optimisme oppakken na corona is geen zakelijke, maar een menselijke. Bijna twee jaar lang waren hun cafés, restaurants en hotelkamers zo leeg en stil als een kloostercel. ‘’Huidhonger’’, noemde een ondernemer het gemis van gasten. Hij had ook hartzeer kunnen zeggen. Horecamensen zijn mensen-mensen, ze laven zich aan hun gasten.
Nu hun cafés, restaurants en kamers eindelijk weer bevolkt worden door bezoekers, is dat voor ondernemers niets minder dan een verlossing. Dat genoegen is wederzijds. Uit onderzoeken van het FSIN blijkt telkens opnieuw dat we niet naar de horeca gaan voor het lekkere eten. Dat klinkt een beetje onaardig, maar zo is het niet bedoeld. Natuurlijk is eten en drinken in de horeca belangrijk, maar als puntje bij paaltje komt, kunnen we dat thuis ook. Wat we thuis niet vinden is de onverwachte ontmoeting, de glimlach van een onbekende, de energie van een groep feestvierders. De echte reden waarom wij mensen naar de horeca gaan is niet het vullen van onze maag, maar het voeden van ons hart.
243 leden gebruiken onze data. Voordelen lidmaatschap